Borderline I Pathologie

borderlineIPathologie
Naar schatting leidt één tot twee procent van de Nederlandse bevolking aan een
borderlinestoornis. Dit komt neer op ongeveer 160.000 tot 200.000 mensen. De
persoonlijkheidstoornis wordt meestal vastgesteld op jongvolwassen leeftijd, maar het
kan mogelijk zijn om in de kinderjaren al voortekenen te herkennen. De diagnose wordt
drie tot viermaal vaker vastgesteld bij vrouwen dan bij mannen. Enkele oorzaken hiervan
zijn:
- vrouwen zoeken in het algemeen eerder hulp in GGZ of verslavingszorg
- kenmerkend gedrag bij borderline, zoals agressiviteit en impulsiviteit wordt bij
vrouwen eerder als pathologische bestempeld

Oorzaken
Over de oorzaken van de borderlinestoornis is nog niet zo veel bekend. Er wordt
momenteel veel onderzoek naar gedaan. Waarschijnlijk is er sprake van een samenspel
van aanleg en ervaringen, die maken dat iemand kwetsbaar is voor borderline. De
stoornis komt uiteindelijk tot uiting door omstandigheden die stress, op welk vlak dan
ook, met zich meebrengen.
Het is een combinatie van factoren (biogenetisch, psychologisch en sociaal) die de
gevoeligheid voor de stoornis bepaalt.

De biologische factoren: bestaan uit aanleg, erfelijkheid en lichamelijke factoren. Er
blijkt een samenhang te zijn tussen de erfelijkheid van neurotransmitters en borderline.
De studie naar neurotransmitters laat zien dat impulsiviteit en affectlabiliteit
(stemmingswisselingen) samenhangen met de serotinehuishouding in ons lichaam. De
biologische factoren komen niet altijd tijdens de hetero anamnese naar voren. Het is
mogelijk dat de biogenetische factoren al aanwezig waren, maar door psychologische
factoren tot uiting kwamen.

De psychologische factor: Bij veel borderlinecliënten is er vaak sprake van een instabiele
gezinssituatie in de jeugd. Het gaat hier bijvoorbeeld om een verlies, langdurige
scheiding, seksuele mishandeling of emotionele verwaarlozing. Dit betekent niet dat de
ervaringen altijd tot een borderlinestoornis zullen leiden. Bovendien hebben niet alle
borderliners deze ervaringen gekend. Veel mensen met borderline voelden zich als kind
al angstig en niet geborgen. Iedereen heeft een bepaalde hoeveelheid aandacht, begrip,
liefde en bevestiging nodig. Mensen met borderline hebben vaak het gevoel dat zij op dat
vlak tekort zijn gekomen. Andere gezinsleden kunnen dat anders hebben ervaren.
Het is ook niet zo dat iedereen met dergelijke problemen in het verleden, later borderline
krijgt. Hoe dat komt, is nog onderwerp van onderzoek.
De sociale factor: is moeilijk om te onderzoeken, maar de borderlinestoornis lijkt vooral
in de Westerse wereld voor te komen. Door de individualisering en verminderde
samenhang tussen familie en kerkleven voelen mensen zich minder veilig en geborgen.
Indien er iets in de ontwikkeling verkeerd loopt, en hierdoor hechtingsproblematiek
ontstaat. Borderline steekt vaak de kop op, als iemand op zichzelf komt te staan. Na de
schoolperiode breekt een periode vol veranderingen aan. Veel jongeren kunnen de
snelheid van de maatschappij niet aan of verwerken. De maatschappij stelt hoge eisen en
mensen zijn voor een groot deel op zichzelf aangewezen. Iemand gaat het huis uit, begint
aan een baan of studie en krijgt een relatie. Het leven stelt eisen en brengt successen en
mislukkingen met zich mee. Dat gaat gepaard met stress. Iemand met aanleg voor
borderline, kan dan in de problemen komen.
Terwijl de biologische factor de belangrijkste determinant is van welk type
persoonlijkheidsstoornis zich ontwikkelt, kunnen psychologische en sociale invloeden
persoonlijkheidstrekken versterken tot persoonlijkheidsstoornissen.

Classificatie
Er zijn in Nederland twee systemen gangbaar om stoornissen in de psychiatrie te
classificeren. De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) en de
International Classification of Diseases (ICD). Beide systemen worden aangeraden om te
hanteren. De borderlinestoornis werd pas in 1980 geïntroduceerd in de DSM III en pas in
1992 in de ICD-10.
Voor een officiële DSM-IV classificatie (APA, 1994) zijn tenminste vijf van de volgende
negen criteria nodig:
1. Krampachtige proberen te voorkomen om feitelijk of vermeend in de steek
gelaten te worden. N.B.: Reken hier niet het suïcidaal of automutilerend gedrag
toe, aangegeven in criterium
2. Een patroon van intense intermenselijke relaties gekenmerkt door wisselingen
tussen overmatig idealiseren en kleineren
3. Identiteitsstoornis: duidelijke en aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel
4. Impulsiviteit op ten minste twee gebieden die in potentie de betrokkene zelf
kunnen schaden (bijvoorbeeld geld verkwisten, sex, misbruik van middelen,
roekeloos autorijden, vreetbuien). N.B.: Reken hier niet het suïcidale of
automutilerend gedrag toe, aangegeven in criterium
5. Recidiverende suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen, of automutilatie.
6. Affectlabiliteit als gevolg van duidelijke reactiviteit van de stemming
(bijvoorbeeld periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid of angst meestal
enkele uren durend of slechts zelden langer dan een paar dagen)
7. Chronische gevoelens van leegte
8. Inadequate, intense woede of moeite kwaadheid te beheersen (bijvoorbeeld
frequente driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijke vechtpartijen.
9. Voorbijgaande, aan stress gebonden of paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve
verschijnselen
De DSM-IV is een diagnostisch systeem waarbij de cliënt op vijf assen wordt beoordeeld.
Op grond van deze beoordeling krijgt de cliënt een code / score op desbetreffende as.
Borderline, en andere persoonlijkheidstoornissen worden gecodeerd op As-II.
1. Primaire symptomatologie, (de ‘psychiatrische ziekte’) (een klinisch syndroom,
ziektebeeld dat niet altijd aanwezig of geweest is, of voorbijgaand is, de
zogenaamde acute pathologie)
7
2. Achterliggende persoonlijkheidsstoornissen (en de specifieke
ontwikkelingsstoornissen, kenmerken die blijvend zijn),
3. (bijkomende) somatische ziekten (lichamelijke ziekten die psychische
ziektebeelden geven) (een wisselende schildklierwerking kan bijvoorbeeld lijden
tot depressie, bij te lage werking, of anorexia, bij te hoge werking),
4. Psychosociale en uitlokkende factoren (de intensiteit van de psychologische
stressor, bijvoorbeeld alleen gaan wonen na een scheiding zal een ander effect
hebben dan samenwonen na een scheiding),
5. Niveau van functioneren (op een schaal van 1 tot 100, waarbij 100 perfect is en 1
vrijwel nihil) (G.A.F of Global Assessment of Functioning-schaal, de mate waarin
men zich weet aan te passen aan de omgeving, waarbij 0 betekent dat men geen
duidelijke informatie heeft. Deze schaal is belangrijk voor de therapieplanning)

ICD-10
In de ICD-10 wordt gesproken van de emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis. Dit
is een stoornis die wordt gekenmerkt door een sterke neiging tot impulsief handelen
zonder rekening te houden met de gevolgen, samen met de emotionele instabiliteit. Het
vermogen om vooruit te plannen is dikwijls minimaal en uitbarstingen van intense woede
kunnen vaak leiden tot geweld of ‘gedragsexplosies’. De borderlinestoornis is een variant
van een emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis waarbij kenmerken van
emotionele instabiliteit aanwezig zijn. Er bestaat een chronisch gevoelen van leegste. De
tendens om betrokken te raken bij heftige of instabiele relaties kan herhaaldelijk
emotionele crises veroorzaken en kan samengaan met overmatige inspanningen om
verlatingen te voorkomen, dreigen met zelfmoord of zelfmoord of zelfdestructief gedrag
(hoewel deze ook op kunnen treden zonder duidelijke aanleiding)

Lees hier verder over de behandeling in de GGZ

Bron: ‘Communiceren met borderliners’ A.Remmers & S. Schoen

3 Reacties

  1. justme zegt:

    de kolere dat is een uitgebreid totaal stuk van borderline. wel handig voor in de werkveld

  2. Lost zegt:

    Hi, nice post. I have been thinking about this issue,so thanks for blogging. I will certainly be subscribing to your blog. Keep up the good posts

  3. Kate-online zegt:

    Bedankt voor de interessante informatie

Plaats een Reactie