MULTIDISCIPLINAIRE RICHTLIJN ANGSTSTOORNISSEN (3E REVISIE, 2013)

MULTIDISCIPLINAIRE RICHTLIJN ANGSTSTOORNISSEN (3E REVISIE, 2013)

Van de zeven onderscheiden angststoornissen in de eerste versie van de Multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen uit 2003 zijn de wetenschappelijk evidentie en richtlijnaanbevelingen voor de behandeling van twee stoornissen gereviseerd, namelijk de paniekstoornis met of zonder agorafobie en de posttraumatische stressstoornis. De belangrijkste verschillen tussen deze versie en de eerste versie van de richtlijn zijn de volgende.
Voor beide stoornissen geldt dat naast de evidence-based behandelvormen farmacotherapie, psychotherapie en de combinatie van deze beide behandelvormen, ook beoordeeld zijn door de Richtlijnwerkgroep: basisinterventies en eerste-stap interventies, bestaande uit (begeleide) zelfhulp en e-health interventies. De Richtlijnwerkgroep heeft daarnaast literatuurstudie verricht naar culturele minderheden.

Net als in de eerste versie van de richtlijn zijn de aanbevelingen bijeen gebracht in enkele behandelalgoritmes. Het stepped-care model is uitgangspunt bij de opbouw van de algoritmes. Bij uitblijven van herstel wordt op verschillende plaatsen in het algoritme de mogelijkheid aangegeven de diagnose te heroverwegen of een second opinion in een expertisecentrum aan te vragen.
Doel van de behandeling is te streven naar herstel. De criteria voor herstel zijn in deze richtlijn niet gedefinieerd, omdat hierover internationaal noch nationaal consensus bestaat. Nieuw is dat na herstel terugvalpreventie wordt gegeven voordat de behandeling wordt afgesloten.

Wat is nieuw?

Paniekstoornis met of zonder agorafobie
In de eerste versie van de richtlijn werden twee algoritmes beschreven: een voor patienten met een paniekstoornis zonder (of met lichte) agorafobie en een voor patienten met een paniekstoornis met (matig) ernstige agorafobie. Bij de laatste groep patienten zou de combinatie van antidepressiva met exposure in vivo superieur zijn aan de monotherapieen. Inmiddels bestaat er evidentie om deze onderverdeling niet meer te maken.
Er zijn nu twee algoritmes die onderscheiden worden op basis van de ernst van de paniekstoornis met of zonder agorafobie. De lichte paniekstoornis wordt in principe niet meer met medicatie behandeld, maar alleen met basisinterventies die voor alle patienten aanbevolen zijn (psychoeducatie, activering, tegengaan van vermijding) aangevuld met eerste-stap interventies naar keuze (zelfhulp, counseling, psychocosiale hulpverlening, e-health) en, indien deze onvoldoende baat bieden, met cognitieve
gedragstherapie.
In de behandeling van de ernstige paniekstoornis hebben antidepressiva wel een plaats gekregen. De behandelaar bepaalt in overleg met de patient of de behandeling zal bestaan uit basisinterventies gecombineerd met cognitieve gedragstherapie of basisinterventies gecombineerd met antidepressiva. Bij een co-morbide depressie adviseert de Richtlijnwerkgroep om de behandeling te starten met antidepressiva.

Posttraumatische stressstoornis (PTSS)
Net als in de eerste versie van de richtlijn wordt een algoritme beschreven. Nieuw is dat altijd wordt gestart met de basisinterventies psychoeducatie, activering en tegengaan van vermijding. Wanneer er geen sprake is van een ernstige co-morbide depressie geeft de Richtlijnwerkgroep de voorkeur aan een psychologische behandeling die kan bestaan uit cognitieve gedragstherapie of EMDR. Bij non-respons kan de andere psychologische behandeling gegeven worden of over worden gegaan op farmacotherapie. Bij een ernstige co-morbide depressie adviseert de Richtlijnwerkgroep om de behandeling te starten met antidepressiva.

Richtlijn Angststoornissen (2013) / Richtlijn Addendum ouderen bij de MDR Angststoornissen (2008)

Share this post

Geef jouw reactie!